Eenzame leegte

Roodeschool voelt voor de gemiddelde Nederlander als het einde van de wereld. Dat is het ook wel, een beetje. Voor mij is het het begin van een solo wandeling naar de zeedijk. En wat een wandeling is het geworden, Phoe! Erover nadenkend kom ik er achter op hoeveel momenten ik keuzes heb gemaakt. Ongelofelijk eigenlijk.

Ik heb mezelf beloofd elke maand een dag te gaan wandelen, in mijn eentje. Het helpt om spanning en stress kwijt te raken, vooral als ik langs de zee kan lopen. Ook brengt het verlichting van negatieve gevoelens en gedachten, het geeft lucht en ruimte.

Omdat ik in november nog geen dag solo heb gewandeld (zonder hond) moet het in deze laatste week gebeuren. Het regent al de hele maand. Er is nauwelijks een droge dag geweest. En deze maandag, de 27ste hangt er de hele dag een grauwsluier in de lucht met lichte regen en als die stopt, volgt er miezerregen. Ik denk erover om toch niet te gaan. Van thuisblijven op zo’n sombere dag word ik ook niet vrolijk, maar ik heb ook weinig zin om helemaal nat te regenen (ook al kan ik natuurlijk een regenpak aantrekken). Na een telefoongesprek met een vriendin die zegt dat ik me waarschijnlijk beter zal voelen als ik wel ga en doe wat ik mezelf heb beloofd, besluit ik toch te gaan. Doorslaggevend is dat ik zie op buienradar dat de bui boven Noordoost-Groningen weg is. De motregen radar heb ik niet meer gecheckt…

Een uur en kwartier later parkeer ik mijn auto bij station Roodeschool. Het is inmiddels rond kwart over 2. Het plan is om door de polders naar de zeedijk te lopen, niet ver (dacht ik). Vervolgens over de dijk naar Noordpolderzijl te lopen, het kleinste getijdehaventje van Nederland, waar ik al een tijdje eens naartoe wil. Dan terug door de strakke akkers naar station Usquert. Op de kaart lijkt het goed te doen en geen grote afstand, maar eerlijk gezegd heb ik het niet gemeten (wat ik normaal gesproken wel doe.) Ik heb er eigenlijk ook niet aan gedacht dat het ‘s middags snel donker wordt, omdat de zon al rond half 5 ondergaat. En omdat het zwaar bewolkt is, voelt het zelfs alsof het de hele dag niet licht is geworden.

Ik kan niet zeggen dat ik vol goede moed mijn auto uitstap, m’n regenjas aandoe en mijn rugzak omhang. Eerste keuzemoment: ik trek mijn regenbroek niet aan. Het miezert, de wind komt uit het noordoosten. Ik heb een waterafstotende broek aan, die als het langdurig of hard regent wel water doorlaat en daaronder een legging tegen de kou. Ik heb een hekel aan lopen in een regenbroek. Ook al heb ik een ‘ademende’ variant, ik krijg er toch altijd zweetbenen in. Dus als het niet persé nodig is, trek ik hem liever niet aan.

Ook al ben ik niet goed voorbereid wat betreft de route, qua kleding ben ik dat wel. Ik heb dus een extra legging aan tegen de kou, een regenbroek in mijn rugzak. Van boven draag ik een T-shirt, fleecevestje, gewatteerde jas en daarover een regenjas. En ik heb handschoenen bij me en een warme, wollen hoofdband.

Nog iets wat aardig is om te weten: ik heb een hekel aan lopen over asfalt en helemaal over kaarsrechte wegen, waar je aan het begin al ziet waar je over een paar kilometer uitkomt. Van het soort die je hier in Noordoost-Groningen eigenlijk alleen maar hebt. Waarom ik daar dan in vredesnaam ga lopen, is een goede vraag. Tja, ik wil graag naar de zee, omdat dat altijd, echt altijd (!) mijn gemoed lichter maakt. Zelfs al is het vanaf een kaarsrechte doodsaaie dijk waar nog geen sprietje leven op te vinden is, de zee is mijn instant-drug die altijd effect heeft. In de winter is mijn gemoedstoestand vaak somber en zwaar. En ik vind het leuk om een bepaalde route te lopen, niet alleen maar naar zee rijden, uitstappen, stukje lopen en dan weer terug. Maar meestal start ik mijn wandeling dichterbij zee. Nu leek het me handig vanaf een station te starten, omdat ik dan met de trein terug naar mijn auto kan. En ik dacht: hoever kan het zijn? Misschien een half uur/drie kwartier lopen, dan ben ik op de zeedijk…

Dus ik loop met een route-app meteen van station Roodeschool de Hooilandseweg af, langs wat boerderijen, door een gehuchtje. Langs een weg lopen is niet ideaal, omdat ik steeds moet opletten op verkeer (vooral grote trekkers). Op mijn kaart-app zoek ik dus naarstig naar andere paden, die ik zou kunnen nemen. Een fietspad zou ideaal zijn, want op dit moment is het niet aan te raden om over een graspad te lopen, doordat de bodem verzadigd is van twee maanden continue regen. Maar zover ik op mijn app kan zien, zijn er geen paden die doorlopen tot aan de dijk. Bovendien moet ik goed opletten of er geen sloot aan het eind is van een pad, waar ik dan misschien niet overheen kan komen. Daarom blijf ik maar op het asfalt en sla af naar het noordwesten, richting Hefswal. Ook omdat ik dan de wind fijn in de rug heb. De wind speelt een grote rol in de besluitvorming vandaag. Dat wordt me pijnlijk duidelijker als ik even later rechtsaf sla, de Langelandsterweg op. Anderhalve kilometer kaarsrecht naar het noordoosten met de ijskoude miezer van rechtsvoor in mijn gezicht, gedreven door een ongenadige poolwind. Ik ga aan de linkerkant van de weg lopen met mijn blik links op de sloot gericht, om er zo min mogelijk last van te hebben. In de verte zie ik een grote vrachtwagen mij tegemoet komen. Om niet ook nog door een grote plas water te worden overspoeld als hij langs me rijdt, ga ik bij een toegangshek van een huis een eindje van de weg vandaan staan. Meteen maak ik van het moment gebruik om mijn hoofdband om te doen, onder mijn capuchon. Mijn voorhoofd begint namelijk aan brain freeze te lijden. Met mijn nu beter verwarmde hoofd en gehandschoende handen in mijn zakken trotseer ik de elementen.

Ergens diep vanbinnen begint inmiddels een ongerust gevoel te borrelen. Deze onbeschutte wegen zijn pure ellende in dit pokkeweer! Hoe ver is die zeedijk eigenlijk? Als ik zie wat voor klein stukje ik nu nog maar gelopen heb, hoe lang ik daar al mee bezig ben, en hoe ver ik nog moet volgens de kaart, gaat dit nog wel even duren. Maar bij dat soort dingen moet je niet te lang stil staan, is mijn ervaring, dan kom je nergens meer. Zo sus ik mijn onrust.

Op de T-splitsing met de Dwarsweg is er opnieuw een keuzemoment. Ik kan rechtsaf, waarna de weg vrij snel een bocht naar links maakt en als het goed is gaat de weg verderop over in een fiets- of voetpad, dat in een strakke lijn richting zeedijk gaat. Zo te zien steekt het stippellijntje netjes het Oostpolderbermkanaal over. Alleen ik kan het pad niet zien, omdat het achter een zomerdijk ligt. Ik weet dus niet wat de toestand van het pad is, modderig of bestraat? Bovendien is die rechte lijn, dezelfde lijn die ik net liep op de Langelandsterweg. Vrijwel recht op de wind. Ik kan ook linksaf de Dwarsweg volgen. Dan loop ik even met de wind in de rug en ga ik later met een bocht naar rechts weer tegen de wind in. Dat geeft de doorslag. Even met mijn gezicht uit de wind is erg prettig. Dat betekent dus dat ik voorlopig langs de autoweg zal moeten lopen. Gelukkig is het niet erg druk hier.

Het is prettig om langs boerderijen te lopen die aan de rechterkant van de weg staan, dan ben ik even in de luwte, uit de wind. Huizen zijn fijn. Na de zomerdijk op de Dwarsweg strekt de weg zich recht uit naar een mooie boerderij aan het eind, waar de weg een bocht naar links maakt. Ik zet de turbo aan tot bij het huis en daar blijf ik even staan, lekker uit de wind. Er is ook een nieuwe keuzemogelijkheid. Volgens mijn route-app zou ik rechtdoor moeten kunnen. Het ziet er niet uit als een officiële weg, meer een boerenweggetje dat naar het land van de boer loopt. Al vrij snel ligt er weer een dijkje waardoor ik niet verder kan kijken hoe het erachter uitziet. Bang dat ik straks nog terug moet, sla ik dus weer linksaf met de weg mee (wind in de rug) naar een volgende boerderij, die vlak tegen een lage zomerdijk is gebouwd.

Bij deze dijk aangekomen, zie ik daarachter een strakke rechte weg kilometers door modderig polderland richting het noordoosten lopen met aan het eind weer een lage dijk. Dan slaat de wanhoop toe. Waar ligt die verrekte zeedijk eigenlijk? Moet ik over deze hele weg heen? Wat doe ik hier? Er is geen bal aan, eentonigheid in de hoogste graad. In de verste verte geen zee in zicht. Kan ik niet beter teruggaan? En over precies dezelfde saaie wegen terug? Zonder uitzicht en zonder zelfs bij de zee te zijn geweest? Geen denken aan!

Mijn doel is de zee. Die moet ik in elk geval gezien hebben, dus zet ik door.

De striemende ijsregen die van rechtsvoor met de koude noordooster mij tegenwerkt, slaat me murw. Ik kan niet eens recht vooruit kijken en als ik het toch doe, zie ik alleen maar een toonloze weg met oneindige akkers van glimmende klei aan beide zijden en voor me een dijk met daarachter grote windmolens. Dat is het moment dat radeloosheid een bres slaat in mijn toch al wankele moed. Dit landschap, deze omstandigheden, het is precies zoals mijn leven op dit moment aanvoelt: uitzichtloos, grauw en leeg. Tranen van boosheid en teleurstelling stromen over mijn gevoelloze wangen. Van eerdere wandelingen weet ik dat het niet helpt als mijn moraal zich op een dieptepunt bevindt en ik nog eind te gaan heb. Maar ik kan de goede moed niet opbrengen. Het is weg. Ik zou terug kunnen gaan, maar daar komen alle vezels in mijn lijf tegen in opstand. Teruggaan is aftaaien, toegeven dat het niet lukt, alle moeite die ik heb gedaan voor niks. Dat kan ik niet verdragen. Dus ik moet hoe dan ook verder. Als is het met het lood in mijn schoenen en knarsende tanden.

Als ik even later langs het dreunende lawaai van de razende windmolens achter de (derde!) zomerdijk loop, denk ik alleen maar: wat een zegen zou het zijn als zo’n wiek zou afbreken en op mij zou vallen. Zoals ik een tijdje geleden hoorde dat een wiek bijna op een langsrijdende auto terecht kwam. À la ‘bergen valt op ons’: Wieken val op mij. Wham, in een klap alles voorbij. Mijn sombere gedachten worden er niet beter op als ik links van mij over de kilometers lange Middenweg een hele stroom auto’s naar mij toe zie rijden. Blijkbaar van een of andere werklocatie, de Valom? Een afvalverwerkingsfabriek of een gaswinning/boorlocatie? Ondertussen ben ik al zo’n anderhalf uur onderweg als ik eindelijk de zeedijk ruim een kilometer voor me boven de klei zie oprijzen. Ik kan niet zien hoe de zee erachter uitziet. Het zijn de wadden uiteraard en waarschijnlijk zal het wel eb zijn, denk ik somber. De zee is misschien niet eens te zien. Omdat ik er zo lang over heb gedaan om hier te komen, dringt zich de vraag op hoe ik straks eigenlijk terug ga en waar naartoe? Over een half uur/drie kwartier wordt het donker. Ik sla sowieso linksaf naar de Middenweg. Eventueel kan ik die (met de wind in de rug) een stuk (kilometers) aflopen om verderop terug te gaan richting Uithuizermeeden, waar ook en station is. Ik heb het idee om helemaal naar Noordpolderzijl te lopen inmiddels losgelaten. Veel te ver. Langs de smalle Middenweg zijn de bermen nog smeriger dan langs de vorige wegen en het is er stukken drukker, waardoor ik iedere keer de blubber in moet om aan de kant te gaan voor een passerende auto. Bovendien, als ik op deze weg blijf lopen, kan ik de zee niet zien. Daarom maak ik zonder over de consequenties na te denken, na een paar honderd meter de keuze om rechtsaf te slaan. Het fietspad waar ik op terecht kom, loopt recht op de zeedijk aan. In een kwartiertje sta ik er bovenop.

Mijn voorgevoel klopt, het is laagwater, dus ik zie vooral wadden. Maar zodra mijn hoofd boven de dijk uitkomt, vliegt er een groep bergeenden op, die onderaan de dijk op het wad zaten. Mooi! Ik houd van bergeenden met hun felrode snavels en zwart en bruine tekening op hun witte verenlijf. Het klaart niet meteen op. Ik hoor geen ruisende zee. Verderop zie ik een paar vissersboten en nog verder op zee de lichtjes van een eiland. Naar rechts de Eemshaven, een bonte verzameling pijpen, masten en lichtjes waar ik niet teveel blikken aan vuil wil maken. Het regent niet echt meer. Een tijdje terug is die al gestopt, maar de vlijmscherpe koude wind is er nog steeds en af en toe lijkt het of er ijsdruppels op mijn regenkleding tikken. Het is te koud om lang stil te staan, dus zet ik mezelf in beweging, wind mee naar het noordwesten. Ik check op Google Maps hoe ver het nog is. De snelste weg terug naar een station is naar Uithuizermeeden, anderhalf uur lopen. Maar dan moet ik nu meteen terug de dijk af en over de Middenweg gaan lopen. Dan kan ik niet verder over de zeedijk lopen. En dat wil ik sowieso! Ik moet toch straks in het donker lopen, of ik nu wel of niet langs de zee wandel. Als ik over de zeedijk ga, kan ik pas na natuurgebiedje De Ruidhorn, ruim 5 kilometer verderop er weer af het achterland in. Het dichtstbijzijnde station van daar is Uithuizen. Hiervandaan 2 uur en 20 minuten lopen, volgens Google Maps. Daar schrik ik van. Dat is echt een roteind lopen! En ik ben nu al moe. Ik kreun zachtjes omdat ik zo dom ben geweest dit niet goed voor te bereiden en ik ben veel te laat vertrokken. Maar welke route ik ook neem, donker wordt het toch. Ik vind het niet prettig om in het donker te lopen. Omdat ik dan natuurlijk weinig kan zien en slecht kan oriënteren, maar het geeft me ook een eenzaam gevoel. En ik ben zelf minder goed zichtbaar voor andere weggebruikers. Op zich is het nog niet eens heel laat. Ik heb wel eens vaker tot een uur of 7 ergens gewandeld, maar toen was het nog licht. Dus ja, wat zegt tijd nu helemaal.

Dit gedeelte langs de kust, is de reden dat ik hier naartoe ben gegaan. Dus maak ik er het beste van. Aan de buitenkant van de dijk is een deel geasfalteerd waar ik goed kan doorlopen. Ook al is er weinig te beleven, toch merk ik dat er een soort rust in me daalt. Zachte geluiden van wadvogels zijn hoorbaar. Ook de rollende klanken van een paar wulpen, een van mijn favoriete vogelgeluiden. Ik heb geen tijd of rust om ervoor te gaan zitten of lang bij stil te staan. Daarnaast is het ook te koud, maar een klein glimlachje kan er vanaf. Ik kan niet zeggen dat ik ervan geniet, maar het doet me goed. Ik merk dat ik me hier op mijn gemak voel. Niet meer dat unheimische gevoel wat ik net had, toen ik door de polders liep. Het liefst zou ik hier de hele tijd blijven lopen tot ik een stuk verderop op een bus of trein kon stappen. Maar helaas is al het openbaar vervoer mijlen ver bij deze dijk vandaan. Het is Nederland hè…

Als het begint te schemeren ga ik bovenop de dijk lopen, over een schapenpaadje, wat gelukkig redelijk droog en niet modderig is. Daar bovenop heb ik goed overzicht over de polder. Het zijn echt onafzienbare lange stroken klei doorsneden met sloten. Onderaan de dijk loopt een weg met een sloot er langs, maar nergens is een afslag naar het binnenland.

Ik kom steeds dichterbij een kluster van lichtjes, wat een gasboorlocatie lijkt te zijn. Misschien dat ik daar langs kan de polder in. Om het niet te missen ga ik op de weg onderaan de dijk lopen. Er is op een gegeven moment een T-splitsing met de Middenweg, maar die weg gaat met een bocht weer terug naar waar ik vandaan kwam. Dat is vanaf hier niet meer de kortste route. Ondertussen beginnen mijn voeten zeer te doen en het is bijna donker. Eén geluk, er rijdt hier niemand. Maar ook al zijn er geen auto’s, voor de zekerheid zoek ik in mijn tas of er nog een lampje in zit. Die heb ik gelukkig en ook een reflecterende armband. Dat geeft wat zekerheid bij het lopen over de donkere wegen.

Ik ben hier helemaal alleen. Een beetje eenzaam voelt het wel. Dat komt denk ik vooral doordat het een kunstmatig landschap is. De hand van de mens is overal zichtbaar, maar hij is niet aanwezig. Zonder mensen is zo’n omgeving doods en voelt verlaten aan. In de natuur voel ik me zelden eenzaam. Eerder voel ik me ermee verbonden, er deel vanuit maken.

Het gebied rond de gaslocatie is hermetisch afgesloten. Ook de natuurgebiedjes vlakbij hebben geen doorgaand pad naar de andere kant. Ik zou er als het licht was geweest wel naar gezocht hebben, maar in het donker door de modder naar een pad zoeken is geen goed idee. Dus er zit niks anders op dan gewoon doorlopen over de weg. Ik hoor wel allerlei vogels naast me roepen als ik langs De Ruidhorn loop. Er is ook een vogelkijkhut, maar ja…

Pas bij de T-splitsing met de Lauwersweg kan ik weer terug de polders in. Vanaf hier kan ik in één lange rechte lijn van 5,5 kilometer naar Uithuizen. Het is inmiddels aardedonker. Het scheelt dat ik niet mijn weg hoef te zoeken, in de verte kan ik de verlichte kerktoren van Uithuizen zien. Dat is een mooi en hoopgevend richtpunt. De wind komt van links met af en toe wat gemiezer. De paar boerderijen langs de weg zijn bakens van licht en hoop. Het is fijn af en toe naar binnen te kunnen kijken in een warme kamer vol licht. Als alles om je heen donker, koud en verlaten is, geeft het hoop als je ziet dat er toch plekken van gezelligheid en warmte zijn, ook al maak ik er zelf geen deel van uit. De kermis aan rode, groene en witte lichten links van mij, van de Eemshaven negeer ik zoveel mogelijk. Wat niet moeilijk is, aangezien daar ook de koude wind vandaan komt.

Deze duisternis raakt een snaar. Het voelt een beetje als de buitenste duisternis, van de godverlatenheid. Het kale landschap werkt dat nog eens extra in de hand. Mijn Godsvertrouwen is tanende. Het was al wankel, maar na mijn wandelweek in de zomer voelde ik toch dat God met me was en mij zou bijstaan in mijn nieuwe job. Maar het valt me zwaar. Ik heb er eigenlijk een hekel aan. Ik voel me niet gedragen. Ik moet elke grein motivatie uit mijn tenen trekken en er zit weinig beweging in. De ontmoetingen met mensen vind ik leuk en daar geniet ik van. De rest kan me gestolen worden. Ik had gehoopt op een maatje met wie ik samen op zou kunnen trekken. Ik had daarvan ook een soort bevestiging gekregen van God, meende ik. Maar nee. Ik moet de klus alleen zien te klaren. Als ík niks doe, gebeurt er niks. Het heeft het beetje moed dat ik in september nog had weggepoetst. Ik vond het al een zware taak en die drukt nu nog heviger op mijn schouders. En omdat God het naar mijn idee laat afweten, voel ik me eenzaam, teleurgesteld en tastend in het duister. Net zoals ik hier loop te ploeteren in het donker.

Af en toe knip ik mijn lichtje aan als er een auto aankomt en wacht ik in de berm tot die voorbij is. Ondertussen doet heel mijn wandelapparaat pijn. Ik heb nog geen moment ergens kunnen zitten en ik loop al uren. Sinds ik lange afstandswandelingen ben gaan doen, krijg ik sowieso meestal wel ergens pijn na 10 km lopen. Tijdens mijn eerste solotocht, 2 jaar geleden, had ik steeds pijn in mijn linker bovenbeen bij het heupgewricht. Vorig jaar kreeg ik in de zomer last van een ontstoken peesplaat in mijn rechtervoet. Ik heb toen steunzolen laten aanmeten. Dat hielp na een termijn van ongeveer een half jaar, waarbij ik pijn in andere spieren erbij kreeg, omdat je voeten je lijf in een andere houding dwingen. Tot afgelopen zomer ging het steeds beter. Toen begon de peesplaat van mijn linkervoet op te spelen. Nu doet alles pijn, maar vooral mijn hele linkerbeen en -voet. Een paar minuten kan ik even rusten op een verkeersbord langs de weg met mijn rug naar de wind. Andere mogelijkheden om te zitten zijn er niet. Het zit zo wiebelig dat ik me de hele tijd goed moet vasthouden om er niet vanaf geblazen te worden. De laatste kilometers strompel ik naar Uithuizen. Ik voel mezelf een trieste vertoning.

Als ik de verlichte straten van Uithuizen binnenkom, overvalt me een gevoel van opluchting. Ik ben weer in de bewoonde wereld. Ik wil iedereen die ik tegenkom wel omhelzen, zo blij ben ik om mensen om me heen te zien. Ik heb er niet op gerekend dat ik de trein van 5 voor half 7 zou kunnen halen. Ze gaan elk half uur, dus ik maak me er niet druk om. Uiteindelijk kom ik precies rond die tijd bij het spoor aan, maar ik heb geen energie meer om te versnellen. Dus ik steek het spoor over en sla linksaf naar het station. Dan hoor ik de bellen gaan rinkelen, de trein komt eraan. Ik ben bijna bij het perron. De trein rijdt ervoor langs en stopt. Toch nog versnellend loop ik het perron op en ren naar de trein, waarvan de deuren net open gaan. Hij heeft 5 minuten vertraging zie ik op het bord. Wat een geluk! Met een plof zak ik neer op een bankje. Ik ben kapot en wil alleen nog maar mijn voeten ergens op kunnen leggen, maar dat mag natuurlijk niet. Ik geloof niet dat ik ooit eerder zo moe ben geweest. Nou, misschien vorig jaar tijdens de eerste dag van mijn solo hike langs het kustpad in Zuidoost-Schotland. Dat viel toen ook tegen en was bij elkaar een vergelijkbare afstand. Toen met veel hoogteverschillen, maar ook veel mooie rustmomenten. Zeker is, dat ik nog nooit zo’n beroerde solo wandeling heb meegemaakt als vandaag. Maar het is me wel gelukt! 19 kilometer lang aan een stuk doorstampen door een oersaai Hollands polder- en dijklandschap. Veel slechter is bijna niet mogelijk.

Wat ik misschien nog ellendiger vind, is dat het me ook mentaal niet heeft verlicht. Ik voel ik me zelfs meer depri dan toen ik begon. De gedachte dat mijn leven eigenlijk net zo uitzichtloos, saai en grauw aanvoelt als deze wandeltocht, is bepaald niet opwekkend. Misschien sta ik ook wel op een kruispunt in mijn leven en hangt er veel af van de keuzes die ik nu maak. Wie zal het zeggen?

Eén ding weet ik zeker, een wandeling door Groningse polders doe ik nooit weer! De volgende keer rijd ik gewoon meteen naar de zeedijk. Dat is ook een keuze. Ik houd namelijk niet van herhalingen.

Wat neem ik mee van deze uitputtende wandeling?

Ja het was k** , het was deprimerend, uitzichtloos met weinig lichtpuntjes. Maar… ik heb het gered. Ik ben niet langs de kant van de weg in elkaar gezakt. Ik heb niemand hoeven bellen om me te komen halen. Er is geen wiek op me gevallen. Ik heb mezelf er (scheldend) aan mijn haren doorheen gesleept.

So don’t despair, you can get through this ordeal. Never forget that!

Er is alleen wel een verschil. Bij deze wandeltocht wist ik waar ik naartoe ging, ik had een doel, ook al veranderde dat gaandeweg. In real life I haven’t got a clue…

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: