Newbiggin – Creswell

Voor het eerst sinds ik ben gaan lopen langs de zee, staat de zon stralend aan een strakblauwe hemel. Het belooft een prachtige dag te worden. Vandaag wil ik over het kustpad tot Creswell lopen, zo’n 8 kilometer verderop om te zien, waar ik van daar, landinwaarts, accommodatie kan vinden. Ik voel me uitgerust en aardig hersteld van mijn gestrompel gister bij aankomst in Newbiggin. Ik neem me voor rust te nemen als mijn been zeer gaat doen, pushen werkt namelijk averechts. Een goede les voor vandaag!

Woodhorn Church

Als eerste staat vandaag St. Mary’s Church in Woodhorn op mijn lijstje, of kortweg Woodhorn Church. Het is namelijk het oudste kerkje langs de kust van Northumberland en stamt uit de 9de eeuw na Christus. Het wordt helaas niet meer voor diensten gebruikt, maar is nog wel te bezoeken, heb ik op een website gelezen. Het ligt 3 kilometer landinwaarts van Newbiggin. Nadeel is, dat ik, om weer bij de kust te komen, terug moet over dezelfde weg. Er ligt namelijk een grote energiecentrale ten Noorden van Newbiggin, daarom zijn de routes naar de kust hier beperkt. Om mijn linkerbeen een beetje te ontzien, neem ik de heenweg de bus.

Kerkje verscholen in het bos

Een opgewonden gevoel maakt zich van mij meester als ik de bus uitstap in Woodhorn. Het is alsof ik regelrecht in een idyllisch schilderij stap. Het kerkje ligt in een bosrijke vallei en is omgeven door prachtige, grillig gevormde bomen. Ik moet goed turen voor ik hem daartussen zie staan. Meteen valt de dikke, wat scheef staande, uit natuursteen opgetrokken toren op met de kleine raampjes in Romaanse stijl. Oude graven en grafstenen staan of liggen rommelig verspreid om het kerkgebouw. Aan de achterkant is een klein portaal met een lelijke witte deur met … een hangslot eraan. Hij zit op slot! Wat een ontgoocheling. Wat had ik hier graag binnen willen kijken en de historie ervaren van 1200 jaar Christelijke Godsverering. Ik voel me zo teleurgesteld dat ik er niet lang wil blijven, terwijl het zo’n prachtige plek is. Maar het is alsof er een zeepbel is geknapt. De tranen prikken in mijn ogen als ik nietsziend, naar het asfalt starend, heuvelaf, terugloop naar Newbiggin.

Daar aangekomen voel ik nog even aan de deur van St. Bartholomew – ook dicht. Ik zak neer op een bankje tegen de muur van de kerk. Heerlijk in de zon, maar het is net of er een wolk voor is geschoven. Alsof een droom uiteen is gespat. Wat een uurtje geleden nog voelde als een dag die niet meer stuk kon, voelt nu als een grote deceptie. Toch ga ik daar maar bidden, buiten tegen de kerkmuur. Dat lukt eigenlijk best en ik spreek mijn teleurstelling uit naar God. Deze twee kerken stonden bovenaan mijn lijst om te bezoeken, vanwege hun ouderdom en ligging en allebei zitten ze dicht. Het resoneert met zoveel andere teleurstellingen van dichte deuren die ik de afgelopen jaren heb ervaren en die maakten dat ik in de put belandde. Ik was nadat ik met mijn gastouderbureau was gestopt, klaar om verder te trekken, te verhuizen, maar dat gebeurde niet. Ik zocht naar banen of werk waar ik enthousiast voor was, maar vond geen openingen. Ook voor schrijfopdrachten bleef de deur dicht. Ik keek steeds naar de hobbels en obstakels op mijn weg en zag het licht boven me niet of de route hoe ik verder kon komen. Om dat verlammende gevoel te verdoven, ging ik meer alcohol drinken, roken en spullen kopen, die ik niet nodig had. Met als enig resultaat dat ik mezelf dieper de put in duwde. Ik vond de weg naar God niet. Nu, hier op deze plek wel. Ik ervaar Gods aanwezigheid. Ik zie en voel het licht, letterlijk. Ik blijk ook zonder me terug te trekken in een kerkgebouw God te kunnen ontmoeten, mezelf te zijn en rust te kunnen vinden bij Hem. Ik merk dat het de scherpste randjes van mijn putgevoel haalt. Ik kan weer verder en probeer toch van het mooie weer en de prachtige natuur te genieten vandaag.

Met een warm uitnodigend gebaar word ik verwelkomd door een aalscholver met gespreide vleugels bij Beacon point. Het is een rotspartij die ver in zee strekt, waarop veel vogels langs de rand bij de zee zitten. Meeuwen, scholeksters met hun fraaie rode snavels en allerlei strandlopertjes die verwoed in het wier naar voedsel zoeken. En hoewel het nu niet noemenswaardig waait, is de zee nog erg onstuimig van de harde wind van gisteren. De golven spatten met donderend geweld uit elkaar op de rotsen met een enorme boog stuifwater erbovenuit. De rotsen hebben hier een vlak oppervlak en er zijn natuurlijke bankjes gevormd waar ik op kan zitten en genieten van het schouwspel. Op sommige rotsen zijn poeltjes ontstaan. Eén rotspoel stroomt door een klein geultje over in een andere met een zacht klaterend geluid. Alsof een tuinman het zo heeft aangelegd. Het zachte sijpelen met op de achtergrond de doffe dreunen van de golven, en af en toe een kreet van een meeuw of scholekster erdoorheen, klinkt als muziek in mijn oren.

Golven slaan op de rotsen bij Newbiggin Point

Ik laat de zee, zijn geur en geluid, aanzwellend en wegtrekkend, op me inwerken. Ik voel de spanning uit mijn schouders wegvloeien. In het ruisen, rollen en breken van de golven lossen mijn rusteloze gedachtenspinsels op. De zee is als een enorm torso dat langzaam op en neer beweegt en mij helpt ademhalen. Diepe slagen zuivere zilte lucht, die me rustig maken. Ik zou daar uren kunnen zitten en na een tijdje voel ik de teleurstelling van vanmorgen wegebben. Ik kan weer verder en zet me schrap voor het volgende kustpad gedeelte.

De energiecentrale bij Newbiggin

Ik moet namelijk langs de energiecentrale. Een kolos van een gebouw met dito schoorsteen en een indrukwekkend hekwerk erom heen. Gelukkig is dit een officieel kustpad en is er een smal strookje pad vrij gelaten waar de gewone burger overheen mag lopen. Al voel ik me heel nietig naast zo’n imposant bouwwerk. Ik ga er zo snel als mijn been toelaat langs. Eerst nog een soort vloeivelden van zwarte kool oversteken. Het afwateringsslootje is knaloranje en ziet er niet heel milieuvriendelijk uit. Dan over een stroompje met een iets natuurlijker leefmilieu en vervolgens de duinen in.

Kustgedeelte vlak voor Cresswell

Het voelt alsof ik de hele tijd mijn adem heb ingehouden en nu in deze natuurlijker omgeving weer gewoon kan ademhalen. Het pad is wat saaier over afgevlakte duinplateaus, vergeleken met de rotsen rondom Newbiggin en Beacon point, maar altijd nog stukken beter dan de industriële mikmak van zonet. Bovendien schijnt het zonnetje nog heerlijk en kan ik het rustig aan doen. Onverwacht doemt opeens Cresswell voor me op. Meestal zie je stadjes een eindje van te voren aankomen, maar Cresswell ligt verstopt achter wat kliffen. Daar zie ik voor het eerst het logo van het Northumberland Coastpath (NC) op het paaltje staan – een gestileerd golfje, waarin een N te herkennen is – naast het eikeltje van het Engels kustpad. Op het zuidelijkste hoogste punt van de baai bij Cresswell is een parkeerplaats gemaakt met wat bankjes, waarvandaan je een prachtig uitzicht hebt. In de verte naar het noorden kan ik zelfs Coquet Island al zien liggen, voor de kust bij Amble. Het vuurt mijn enthousiasme om verder te trekken aan!

Coquet Island in de verte

Cresswell vormt de zuidelijke punt van Druridge Bay. Een enorm, 13 kilometer lang strand- en duingebied, dat voor een deel beschermd natuurgebied is. Dat betekent ook, dat er na Cresswell zo’n 13 kilometer lang geen voorzieningen zijn in de vorm van dorpjes, Inns, B&B’s of iets dergelijks. Dus ook al staat de zon nog redelijk hoog aan de hemel, ik ga hier in de buurt alvast op zoek naar een overnachtingsplek. Ook omdat ik mijn linkerbeen niet wil forceren en ik niet weet hoe ver ik nog het binnenland in moet om iets te vinden.

De weidse baai van Druridge Bay

In de hoop in Ellington accommodatie te vinden, sla ik van het kustpad af. Dat betekent ruim 3 kilometer over de weg lopen. Ik heb daarbij al mijn doorzettingsvermogen en kracht nodig om verder te komen. Om de een of andere reden gaat mijn been sneller pijn doen als ik over verharde wegen loop. Dus met mijn tanden op elkaar zet door. Helaas kom ik nergens in Ellington een uitnodigend B&B-bordje tegen. Ook niet digitaal op Google-maps. En de Plough Inn, het enige hotel in de buurt, heeft geen kamer meer vrij. De vrouw achter de bar weet me te vertellen dat er in de directe omgeving ook geen andere accommodatie te vinden is. De enige opties die ik heb, zegt ze, zijn de Premier Inn in Ashington 4 kilometer verderop – terug voor mij -, of met de bus naar Amble, 15 kilometer naar het noorden. Daar zijn meer overnachtingsmogelijkheden. Ik wil niet terug naar Ashington. Maar binnen een uur is het donker en om dan nog naar accommodatie moeten zoeken, voelt niet fijn. Bovendien ben ik moe, dus besluit ik met de bus naar Amble te gaan.

Zo’n soort uithangbord hoopte ik tegen te komen

Ik wacht al een half uur bij de bushalte langs de kant van de weg in Ellington, wat een hoog in the middle of nowhere gehalte heeft, maar er komt geen bus. Het begint te schemeren. De wind heeft de afgevallen bruine blaadjes in de hoek van het betonnen bushokje op een hoop gewaaid. Er staat geen bankje, dus leun ik tegen het muurtje. Het huis aan de overkant van de straat ziet er leeg uit, er brandt geen licht. Verderop stapt iemand in zijn auto, druk met zijn eigen, voor mij onbekende, bezigheden. Het roept een gevoel van eenzaamheid op, waar ik niet aan toe wil geven. In mijn naïviteit zag ik een lieflijk dorpje voor me, waar ik ergens een uitnodigend B&B bord in een tuin zou tegenkomen, zoals je vroeger veel zag. Niet dus. Geen schattig dorpje en geen B&B’s, alleen The Plough en die zit vol. Ik word met m’n neus op de feiten gedrukt: als je niks op Google Maps ziet staan, is er waarschijnlijk ook niks. Ik voel wat spanning in mijn buik opkomen, maar geen paniek gelukkig. “Rustig blijven ademen. Je komt vanzelf weer ergens waar je accommodatie kunt vinden,” spreek ik mezelf toe. Na een minuut of tien wachten, komt er een bus aan. Niet de bus naar Amble, maar toch een bus. “Weet u of de bus naar Amble ook nog komt, want die is niet komen opdagen?” vraag ik de buschauffeur. Hij weet het niet, maar vindt het wel dusdanig vervelend voor mij dat hij uitnodigend “Hop in”, zegt en “ik breng je wel naar Widdrington station, daar komen meer bussen langs die naar Amble gaan.” En ik hoef niet te betalen! Ik voel mezelf gloeien van dankbaarheid. Wat een aardige vent. Vervolgens racet hij met een noodgang over de landweggetjes naar het volgende dorp. De verder lege bus rammelt zo hard, dat ik bang ben dat we onderweg allerlei onderdelen verliezen. “De bushalte waar je moet gaan staan, is om de hoek”, zegt de chauffeur als we in Widdrington aankomen en scheurt weg. Aan een meisje die ook op een bus zit te wachten, vraag ik of zij misschien een adres weet in Amble waar ik zou kunnen overnachten. “De Amble Inn” is haar suggestie en bus X18 komt daar langs.

Precies volgens het tijdschema komt de X18 eraan, die me, na weer een wilde rit over de provinciale weg, netjes bij de Amble Inn afzet. Het ziet er groot en gezellig verlicht uit. Ongetwijfeld hebben ze een kamer vrij. Dat is zo, al moet ik er wel de hoofdprijs voor betalen. Maar ik ben heel blij met het dak boven mijn hoofd en een fijn bed om in te slapen. Wat een dag! Uiteindelijk heb ik 17 kilometer gelopen en veel geleerd vandaag: Kijk omhoog! Breng je teleurstelling bij God. Blijf rustig ademhalen als het tegenzit. Vraag hulp en je zult zien, dat mensen best bereid zijn iets voor je te doen.

Terugblik richting St. Bartholomew Church

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *